Op de DBNL vond ik een bespreking van het werk van Jan Wolkers, met onder andere bovenstaand citaat uit zijn eerste gepubliceerde verhaal, ›De verschrikkelijke sneeuwman‹. Kunnen we iets met de nogal kleurrijke vergelijkingen?
Wolkers' vergelijkingen zijn allereerst literair vuurwerk, het zijn creatieve vondsten. Daarnaast zeggen ze iets over het hoofdpersonage, iemand die blijkbaar salamenders met een meisjesbroche vergelijkt en regenwormen met bordeelbezoekers. Dit is een beproefd middel voor literatuur: de schrijver formuleert vergelijkingen en andere beeldspraak gebaseerd op de leef- en gedachtewereld van een personage. Het is niet realistisch, want mensen van vlees en bloed strooien niet met zulke kleurrijke vergelijkingen. Kunnen we er evengoed iets van leren voor onze dagelijkse taal? Ik geef eerst een uitgebreide versie van de tekst:
›Hoe lang ben ik er niet geweest, en hoe gelukkig was ik vroeger als ik er insecten en kikkers zocht. Als ik werkelijk blind was, zou ik op de tast zelfs de onder hanepoten en muur verborgen stenen feilloos kunnen vinden. Ik zou de namen kunnen noemen van de dieren die er onder wonen. Dit is een duizendpoot, rood als een Ierse setter, en dat daar dat zich tot een geschubd balletje maakt, een pissebed, kwalblauw. Als je hem tussen twee steentjes fijn knijpt komt er een bergje gele vla uit. Amberkleurige salamanders zoeken er ieder voorjaar vergeefs naar de sloot. Maar die is sinds jaren gedempt. Ze voelen aan als stukjes rubber. In water worden ze zilverachtig en glimmend als een meisjesbroche. Vlezige regenwormen met een gele band midden in het lichaam, of ze een verstuikte knie hebben. Als je een steen optilt waar er veel onder zitten is het net of het dak van een bordeel wordt opgelicht, zoals die naakte roze lijven zich wegreppen.‹
De vergelijkingen zijn: rood als een Ierse setter; kwalblauw; als stukjes rubber; zilverachtig; glimmend als een meisjesbroche; of ze een verstuikte knie hebben; net of het dak van een bordeel wordt opgelicht, zoals die naakte roze lijven zich wegreppen.
Waarom niet? We geven elke dag beschrijvingen: van onszelf, van de omgeving, van anderen, van werk, enzovoort. Wanneer je bijvoorbeeld jezelf beschrijft, zou je je situatie kunnen typeren met een minder gebruikelijke of originele vergelijking die tegelijk je stemming suggereert; de labradorgele muren komen op mij af, dat soort werk. Oefen dit door er minstens één per dag te bedenken.
——————
Verantwoording
Literatuur
Kees Fens, ›De koolmees en het aardmannetje: Over het werk van Jan Wolkers‹, Merlyn, jaargang 1, 1962–63
Jan Wolkers, ›De verschrikkelijke sneeuwman‹, Podium, 1958 (opgenomen in de bundel Serpentina's petticoat, 1961)